BAR [ba:r] de; m en v –s; –retje 1 cafébuffet met hoge krukjes:
aan de ~ zitten 2 klein café 3 gelegenheid waar men snel iets
kan gebruiken, koffiebar 4 daar waar Melanie met zorg
drankjes serveert.

BOUF [bo:uf] het; m en v; –kes 1 voedsel tot zich nemen
2 zich voeden met: zijn filet pur ~ 3 volledige warme
maaltijd 4 met dagverse producten tovert Kenneth ~ op uw bord.

 

gallery thumbnail gallery thumbnail gallery thumbnail